Tags

, ,

Een aangename ondeugd

Een vreemd trekje van mezelf. Zo noemde ik het lang. Iets wat ik niet zo goed begreep en waarvoor ik me zelfs schaamde telkens ik er een ontstemde reactie op kreeg. Maar wat wordt het leven mooi als de mysterieuze onderdelen ervan een naam krijgen. Als we kunnen benoemen wat zich in de duistere krochten van onze inwendige wereld afspeelt.

Jij zegt enthousiast tegen mij: ‘Ik zag laatst een prachtig lavendelveld.’ Ik neem het woord in mijn mond en proef het, savoureer ‘la-ven-del-veld, … la-ven-del-veld, … mmmm … la-ven-del-veld!’ Jij kijkt me niet-begrijpend aan en denkt iets in de zin van: ‘Te veel zon gehad? Iets verkeerd gegeten? Of toch de ouderdom?’.

Niets van dat alles, gelukkig. Ik ben taalhooggevoelig. Een eerder aangename ondeugd. Ik degusteer lekkere woorden, proef de formuleringen, smikkel en smakkel de zinnen. Minder prettig is dat sommige bewoordingen een pijnscheut door mijn lijf sturen. De e-mailgroet ‘Gr’ bijvoorbeeld. Ik wen er niet aan. Paulien Cornelisse verrast me aangenaam in Taal is zeg maar echt mijn ding. Ze schrijft “Met ‘Gr’ wordt latente agressie op een sociaal geaccepteerde manier tot uiting gebracht”. Ik kan me helemaal vinden in haar omschrijving.

Zoals ik in vorige wetenschaapjes al aanhaalde, de manier waarop we onze gedachten verwoorden en onze innerlijke wereld naar buiten brengen is niet gratuit. Om de woorden van Boeddha te gebruiken: ‘De gedachte manifesteert zich als het woord. Het woord manifesteert zich als de daad. De daad ontwikkelt zich als een gewoonte en gewoonten worden karaktereigenschappen. Beoordeel een gedachte en haar pad dan ook met zorg en laat die gedachte ontstaan uit liefde voortkomend uit zorg voor alle mensen.’

Geraakt worden door taal. Goed luisteren en de gevoelswaarde achterhalen van wat een cliënt/e brengt zijn als psychotherapeut/e basiskwaliteiten. Het luistert nauw voor mij. Gedeeltelijk beroepsmisvorming dus. Zand is bijvoorbeeld geen aarde. Het verschil in vruchtbaarheid tussen de beide valt voor mij als Kustkind niet te ontkennen. Niet zo voor een Kempenkind waarvoor alle aarde zand is. Hoe hard ik ook mijn best doe, en hoe goed ik ondertussen geleerd heb om niet te reageren, er gaat telkens een schokje door mijn lijf wanneer ik aarde als zand hoor benoemen. Lachwekkend pietepeuterig, maar zo werkt taalhooggevoeligheid.

Gender is een thema waarbij ‘juist’ benoemen nogal eens de mist ingaat. Onlangs beleefde ik mijn historisch radiomoment. Het is woensdag 27 mei 2015. De journaliste van Radio 1 meldt dat de scanstraat van het Brusselse justitiepaleis tijdelijk bemand zal worden door een privé-bewakingsfirma. Ze schakelt over naar Minister van Justitie Geens die, naar goede journalistieke kleutergewoonte, dit nieuwsfeit in zijn eigen woorden mag herhalen en een beetje aanvullen. Maar welke versie brengt die brave man?

‘De scanstraat van het Brusselse justitiepaleis zal tijdelijk bemensd worden door een privé-bewakingsfirma’. En enkele zinnen later heeft hij het nog eens over de bemensing van de scanstraat. Ik zou het niet durven! Zo radicaal, zo not done. Mijn hart maakt een sprongetje: dit uit de mond van een man boven elke verdenking. Op naar bemensing, naast bedamesing en beheersing, en naar iemensd, naast ievrouwd en iemand. Welke minister durft dit aan?

Om in de sfeer van de nieuwsschrijverij te blijven. Ik denk dat journalisten zich in doorsnee veel te weinig bewust zijn van de macht van de taal en van de richting die ze hun publiek uitsturen, naar nog meer verzuring bijvoorbeeld. Bij de sneeuw en vrieskou het meteen over winterellende hebben, zonder één gebenedijd woord over de bijhorende sneeuw- en ijspret. Of, ‘Er zijn bij deze manifestatie nog geen incidenten gemeld’. En nu maar hopen dat er toch relletjes komen?

Uit mijn lesgeven over klassensocialisatie is mij bij de studenten uit de boereklasse altijd de gevoeligheid rond het woord ‘boers’ bijgebleven. We nemen het zo gemakkelijk in de mond als we het hebben over een persoon die zich lomp gedraagt. De verbinding tussen boers en lomp snijdt diep in de ziel van mensen uit landbouwersgezinnen. Zo kan ik niet naast de letterlijke betekenis van het werkwoord ‘afkloppen’ horen. Een werkwoord de laatste tijd in haar figuurlijke betekenis aardig wat gebruikt binnen de welzijnssector, zelfs in de context van familiaal geweld.

Rakend aan taalgevoeligheid ligt de Vlaams-Nederlandse taalkwestie, een eindeloze bron van verwarring en hilariteit. Sommige zelfde woorden hebben een totaal andere of zelfs tegenovergestelde betekenis. Ik herinner me nog een situatie met een Nederlandse psychiater in opleiding toen ik mijn eerste jaren in de psychiatrie werkte. Op een bepaald moment komt hij helemaal in de war de verpleegwacht binnengelopen. Hij had een vrouw een middel voorgeschreven ‘om beter te kunnen poepen’. De vrouw had hem toegeschreeuwd: ‘Poepen, poepen! Alle mannen zijn dezelfde. Ze kunnen over niets anders spreken dan over poepen!’. De arme jongen bleek nog niet op de hoogte dat zijn ontlastend woord, in Vlaanderen een compleet andere, en voor die patiënte een belastende betekenis had.

Verder kunnen woorden en uitdrukkingen heerlijk (damelijk?) smaken om uiteenlopende redenen. ‘Kwintessens’ spreekt me aan, zowel door de klank als om de inhoud, namelijk waar het werkelijk om gaat, de essentie. En dan deze serie die ik ondertussen verzamelde: handgeschept papier, handgeschilde frieten, handgeschilderde vazen, handgeplukte koffie en als klap op de vuurpijl handgeschikte sperziebonen. Volgend doordenkertje mag er ook wel zijn: ‘Hier staen drie fauten’, gebeiteld in een steen in een zijstraat van de zeedijk van De Panne.

Laatst liep ik voorbij aan de gevoeligheid van een vriendin die in de bejaardenzorg werkt. In verband met haar buurvrouw vroeg ik: ‘En zit ze nu in een rustoord?’. ‘Neen’, zei ze, ‘ze woont er’.

majo van ryckeghem
juli 2015