Tags

, , , , , ,

Op mijn schrijfplek gaan zitten is aantrekkelijk én onaangenaam tegelijk. Er is de schrik voor het witte blad, de confrontatie met de grenzen van mijn eigen kundigheid en er is het vooruitzicht op een mogelijk geslaagd product. In mijn beginperiode schreef ik met een vulpen, om de tekst vervolgens over te typen. Revolutionair was de elektrische schrijfmachine en helemaal het einde de typemachine met display!

Voor de jonkies onder jullie: een display was een ingebouwd leesvenster waarmee je één à anderhalve zin kon corrigeren. Voorafgaand aan deze spectaculaire uitvinding was je niet, zoals nu, in de mogelijkheid om je fouten à la minute te verbeteren. Het repareren van een onjuiste schrijfwijze ging gepaard met geklieder met een papperig goedje dat je op je vertypingen smeerde. Pas als dat spul opgedroogd was, kon je de juiste tekst er bovenop zetten. Wat een gedoe!

Toen ik mijn eerste computer aanschafte heb ik maanden nostalgisch mijn trouwe vulpennetje in schrijfzicht aan de muur gehangen. De verwachting was snelheid en minder gepruts. Dat werd slechts gedeeltelijk bewaarheid. Vooral in de beginjaren ging er behoorlijk wat tijd op aan het onder de knie en andere ledematen krijgen van telkens weer een ander tekstverwerkingsprogramma. Het digitale tijdperk bracht nieuwe mogelijkheden en een overvloed aan informatie mee, ook de onbewuste aanname dat sneller en meer beter was, met gloeiende hersenen tot gevolg.

Ik heb me laten vertellen, weliswaar niet door iemand ter plaatse, dat de Middeleeuwse mens in heel haar of zijn leven evenveel info te verwerken kreeg als wij in één dag. Hersenen getuigen van een verbazingwekkende plasticiteit, maar de rekbaarheid is niet eindeloos. Ik merk dat ook bij mezelf. Een bepaald moment is het op, zit mijn brein vol. Ook bij het schrijven. Na een bepaalde periode stropt het proces, ik krijg een duf hoofd en er komt niets zinnigs meer uit. Een half uur tot 45’ geconcentreerd werken en het slaat toe.

Wat blijkt, ik ben niet abnormaal, zelfs helemaal normaal. Wat een opluchting! Hersenonderzoek bewijst het. Ons reflecterende brein dat ons denken stuurt, moet regelmatig op adem komen om scherp te blijven. ‘Wissel- of breinpauzes tussen de taken hebben we nodig om ons archiverende brein een kans te geven ons geheugen op orde te brengen en belangrijke nieuwe informatie op te slaan voordat we aan een nieuwe taak beginnen. De pauzes zijn ook belangrijk om bij te tanken.’ *

En wat doe je dan om een frisse wind door je hersenen te laten waaien? Uiteraard zet je je niet aan het mail checken, facebooken of rekeningen betalen, hoe verleidelijk of noodzakelijk ook. Gelukkig is het huishouden een onuitputtelijke bron van taken en klussen. Er is altijd wel een fietsband die verlangt naar verse lucht, of een was die verwachtingsvol lonkt naar de waslijn, of een afwas die uitkijkt naar nieuwe glans. Nietsdoen koelt het brein natuurlijk ook af, of een niet-digitaal koffietje zetten.

cartoon-digitaal

De breinpauzes dienen dus om nieuwe informatie op te slaan en te ordenen in ons langetermijngeheugen. Daarnaast zijn hersenen die ongestoord met de opgeslagen ideeën mogen flierefluiten het meest creatief. ‘De beste tijd voor je creatieve archiverende brein is wanneer je slaapt. … Als je voor een uiterst belangrijke beslissing staat, moet je daar altijd minstens één nacht overheen laten gaan, zodat de miljoenen archivarissen fulltime aan de slag kunnen gaan, ongehinderd door hun veeleisendste cliënt: je reflecterende brein.’ * Ik herken een nachtje slapen als leverancier van frisse ideeën. Zo brengt de ochtend nogal eens inspiratie voor de kop van een wetenschaapje.

Naast creatieve ingevingen krijgen in bed, kan een bad nemen of wandelen ook inspiratie opleveren. Daar spreken Archimedes en Nietzsche over mee. Zoals geweten slaakte Archimedes zijn kreet  ‘Eureka!’ – Grieks voor ‘Ik heb het!’ – nadat hij de, naar hem genoemde, wet zittend in bad ontdekte. Minder geweten is dat hij die uitroep enthousiast de wereld instuurde terwijl hij naakt door de straten van Syracuse rende. **

Nietzsche kreeg zijn markantste filosofische ideeën tijdens zijn dagelijkse wandelingen. In 1887 schreef hij het gedicht ‘Sils-Maria’, naar het dorpje in de Zwitserse Alpen waar hij verschillende zomers verbleef.
“Hier zat ik, wachtend, wachtend, – maar op niks,
Voorbij goed en kwaad, nu eens het licht
Genietend, dan de schaduw, spel en ijdelheid,
Alles zee, en middag, onbestemde tijd.
En opeens, vriendin! werd één tot twee –
– En Zarathoestra kwam, en nam mij mee …”

* Theo Compernolle. Ontketen je brein.
** https://nl.wikipedia.org/wiki/Eureka_(uitspraak)

majo van ryckeghem
februari 2017