Tags

, , ,

Wetenschaapjes 1 is uit *. De hoofdmoot van mijn secretariaatswerk om mijn papieren schapen in de wei van hun fans los te laten zit erop. Tijd om terug aan de schrijfslag te gaan en zin in weer eens een lichtvoetig taalschaap.

Tijdens het persklaar maken van mijn bundel jaag ik nog eens de spellingscontrole door mijn kudde. Blijkt dat ik de tantebetjeregel overtreden heb. Grappige term die flitsen herinneringen oproept aan mijn tante Betje, een zus van mijn moeder en mijn doopmeter. Aan de basis van de naam van deze stijlfout ligt de taalpurist Charivarius. In zijn taaladviesboek van 1940 Is dat goed Nederlands? uit hij zijn ergernis over deze taalfout die hij steevast tegenkomt in de brieven van zijn tante Betje.

Na het feest komt de afwas. Deze intro laat zich prettig en gemakkelijk schrijven, dat wel. Maar nu komt de kat op de koord. Aan mij om deze stijlfout uitgelegd te krijgen. Daar gaan we. Eerst wat jargon spuien, gevolgd door een paar verhelderende voorbeelden. De tantebetjeconstructie ontstaat als twee hoofdzinnen aan elkaar gekoppeld zijn met ‘en’, ‘want’ of ‘maar’ en in de tweede zin onderwerp en werkwoord ten onrechte omgedraaid zijn. Het eerste type tantebetjes gaat als volgt: ‘We gaan straks naar de speeltuin en komen we pas na het avondeten thuis.’ Weinig gevaar voor deze stijlfout, want we voelen meteen dat deze constructie tegenwringt.

De tweede categorie vinden we in: ‘Met genoegen laat ik u weten dat u verkozen bent tot prijsbeest van het jaar, en hoop ik dat u uw prijs zelf in ontvangst komt nemen’. Grammaticaal klopt de tweede zin, maar de betekenis is onjuist. Ze suggereert dat de ik-persoon met genoegen hoopt op de aanwezigheid van de gevierde op de prijsuitreiking. Correct is: ‘Met genoegen laat ik u weten dat u verkozen bent tot prijsbeest van het jaar, en ik hoop dat u uw prijs zelf in ontvangst komt nemen’. Ik vermoed dat Charivarius in zijn tantes brieven vooral last had van dit soort tantebetjes, want het derde type is even duidelijk fout als de eerste categorie. **

Tante Betje brengt ons bij de volgende – in Nederland dan – beroemde tante, namelijk tante Agaath. De tanteagaathregeling is volgens het boek Binnenhof-bargoens van Emile Bode en Menzo Willems een vondst van PvdA-politicus Rick van der Ploeg. De constructie zou genoemd zijn naar zijn Engelse tante Agatha, die zijn ‘suikertante’ was. Deze regeling maakt het fiscaal aantrekkelijk om geld te steken in startende ondernemingen.

Mijn nieuwsgierigheid naar nog meer op eigennamen gebaseerde regels en voorwerpen is gewekt. Mijn zoektocht levert er nog wat leuke op. Wat te denken van het marcelleke? Ter lering ende vermeack van de Nederlandse medemens, voor wie dit kledingstuk eerder onder het droge singlet dan onder zijn sympathieke naam bekend is: het is een mouwloos, aan de hals uitgesneden onderhemdje, in warme en festivalachtige omstandigheden ook gedragen als T-shirt. Volgens de legende zou het marcelleke zijn naam te danken hebben aan de bokser Marcel Cerdan. Meer waarschijnlijk is dat de naam in de 19de eeuw ontstaan is toen de Etablissements Marcel het kledingstuk in serie fabriceerden.

Ik lees de net verschenen, aangrijpende autobiografie Je ziet mij nooit meer terug van Sonja Barend en kom uit bij de volgende passage: ‘De hoofdverpleegster zei: ‘Je hebt een heel goede dokter, maar dokters kunnen geen wonden verbinden. Als-ie straks weg is, doe ik het opnieuw en dan zit het lekkerder voor je en zie je er meteen een stuk beter uit. Ik geef je een jantje, dat is prettig. Weet je niet wat een jantje is? Dat is een klein kussentje om tegen je wond te houden. Als je eenmaal met zo’n kussentje slaapt, kun je er niet meer buiten.’

In hetzelfde boek ontdek ik tot mijn aangename verrassing dat een voor mij tot nu toe naamloos maar mijn hele leven lang al zeer nuttig voorwerpje toch een naam heeft: een willemientje, ook gekend onder thread needle of draaddoorsteker.

wielemientje, draaddoorsteker, threader

Sonja Barend vond het in het naaimandje van haar net overleden moeder en ze beschrijft het als: ‘het metalen dingetje waarmee je zo handig een draad door het kleine gaatje van de naald kunt halen’.

Al dat gelees en geschrijf rond stijl- en andere taalfouten maakt mij wat onzeker over hoe ik het ervan afbreng zonder een gedegen opleiding tot germaniste. Anderzijds vind ik het heel prettig om mijn eigen woorden te scheppen en het geslacht of genus van begrippen volgens mijn aanvoelen toe te passen. In verband met dit laatste ontdek ik in het boek Hoe bereidt je een paard? & andere onuitroeibare taalfouten van Friederike de Raat dat ik lijd aan de haarziekte. Volgens deze schrijfster grijpen mensen die het spoor bijster zijn betreffende mannelijke en vrouwelijke woorden ten onrechte nogal eens naar ‘haar’.

Ik doe dat ook, maar niet ten onrechte. Vanuit esthetisme, feminisme en lui-isme doorsta ik regelmatig met genoegen en overtuiging een aanval van de haarziekte. Zo heb ik in bovenstaande tekst de term ‘de zin’ vanuit deze drie –ismen vrouwelijk gemaakt, terwijl ‘haar’ geslacht volgens de regels van de spellingskunst mannelijk is. ‘De zin, ze suggereert…’ klinkt mooier, is esthetischer vind ik, maar dat is discutabel natuurlijk. Verder hoef ik onder invloed van deze kwaal het genus van het woord niet op te zoeken. En, last but not least, lever ik een piepkleine bijdrage aan het meer zichtbaar maken van het vrouwelijke in de taal.

* Wetenschaapjes 1, een bundeling van mijn eerste 26 wetenschaapjes is voor € 10 te koop. Interesse? Laat het me weten via wetenschaapjes@gmail.com
** Voor meer uitleg: https://onzetaal.nl/taaladvies/tante-betje

 

majo van ryckeghem
juli 2017